Doelen stellen

1.Ik heb mijn doel zo concreet gemaakt dat ik de vraag: ‘heb ik mijn doel behaald’ na de wedstrijd met een volmondige ‘ja’ of ‘nee’ kan beantwoorden.
2.Het door mij gestelde wedstrijddoel komt in de training ook vaak terug.
3.Ik sta zelf volledig achter het gestelde doel.
4.Mijn doel is een ver-van-mijn-bed-show.
5.Ik streef meerdere doelen tegelijk na.
6.Mijn trainingsdoelen en wedstrijddoelen verschillen sterk.
7.Ik kan mijn doel onafhankelijk van anderen behalen.
8.Dat wat ik mijzelf als doel stel tijdens een wedstrijd heb ik in mijn trainingen al onder de knie.
9.Ik heb mijn doelen duidelijk geprioriteerd.
10.Ik kan duidelijk meten of mijn doel is bereikt.